|
Riek van Lieshout: Riek van
Lieshout werd
geboren op 13-01-1933 in de Gasthuisstraat in Geertruidenberg
als zesde kind van de zeven kinderen die het echtpaar
Adrianus Franciscus van Lieshout en Maria Cornelia Schrauwen
kregen. Maria, met als roepnaam Kee, kwam uit Rijsbergen.
Adrianus Franciscus
van Lieshout werd op 24-02-1894 te Berlicum geboren, en begon
zijn loopbaan bij de spoorwegen op het toenmalige station
Sterksel aan de lijn Eindhoven-Weert als adminstratief
medewerker. Daarna werd hij overgeplaatst naar Aalst=Waalre aan
de lijn Eindhoven-Valkenswaard-Achel-Neerpelt. Zijn volgende
standplaats werd het station Bilthoven aan de lijn
Utrecht-Amersfoort. Rond 1929 verhuisde het gezin naar de
Gasthuisstraat in Geertruidenberg. Janus ging werken op het
station Geertruidenberg waar G. Arends stationschef (3e klasse)
was. G. Arends was stationschef te Geertruidenberg
16-06-1928 tot 01-05-1931.
De volgende
stationschef werd J.A. Douwes, en wel van 01-05-1931-01-02-1936.
Daarna kwam G. Broersma van 01-02-1936 tot 01-07-1939, gevolgd
door R.L. de Vries van 01-08-1939 tot 01-05-1940. Allen waren
zij stationschef 3e klasse.
In de periode
1938-1940 werd het emplacement in Geertruidenberg aanzienlijk
vereenvoudigd. Veel sporen en dubbele Engelse wissels verdwenen.
De laatste stationschef van Geertruidenberg was H.H. Weulen
Kranenberg; hij was stationschef 4e klasse
en wel van van
01-05-1940 tot 31-07-1950.
Janus was een spoorwegman pur sang. Hij maakte de 40 jaar bij SS
en NS vol en ging in 1955 op 61 jarige leeftijd met pensioen.
Lang heeft hij van zijn pensioen niet genoten. Hij wordt
overreden door een auto en sterft op 20 oktober 1960 te Breda
aan de gevolgen daarvan.
Riek weet te
vertellen dat haar vader door avondstudie zich in het Seinwezen
en het bedienen van de Morse-telegraaf heeft verdiept.
Op de Langstraatspoorlijn vond in die tijd de
aankondiging van treinen vanaf de beginstations naar de aan de
lijn gelegen stations plaats d.m.v. de Morse-telegraaf.
Dit systeem was in 1939 nog in gebruik, en ik ga er maar van uit
dat dit tot 1 augustus 1950 het geval is geweest.
Het gezin van
Lieshout breidde zich uit, en men moest omzien naar een grotere
locatie. Dit werd het voormalige pand van dokter Berkestein in
de Brandestraat.
In 1940 verhuisde
men naar Zuidwal 23, schuin tegenover spoorman A. Adriaanse. Als
in 1944 de spoorwegstaking wordt uitgeroepen staakt ook Janus
zijn werkzaamheden en duikt hij onder bij de familie Schreuder
in de Koestraat. Voor de deelname aan de staking heeft hij nog
een oorkonde ontvangen.
Voorafgaande aan de bevrijding van Geertruidenberg begin
november 1944 blazen de Duitsers beide bruggen over de Donge op.
De explosie is zo heftig dat de familie van Lieshout zelfs
stukken van de brug en 4 granaten terug vindt in hun woning aan
de Zuidwal. Het pand is niet meer bewoonbaar en de familie neemt
haar intrek in de kantoorruimte van het station, d.w.z. achter
het loket. Riek denkt dat ze daar ongeveer een maand vertoefd
hebben. 's Avonds ging men slapen bij slager van Es in de
Koestraat.
Men verhuisde daarna
naar een huis in de Brandestraat achter de winkel van de familie
van Gelder. Meester Woutje Mulders heeft e.e.a. geregeld.
Op 10 mei 1945 vieren daar Janus en Kee hun 25-jarig
huwelijksfeest. Het moet een uitbundig feest geweest zijn.
Vrienden en kennissen zorgden o.a. voor eten en drinken. De
volgende locatie wordt Emmaweg 1. Na juli 1950 verhuisde men
naar het bovengedeelte van station Geertruidenberg. Toon van der
Pluijm komt op Emmaweg 1 te wonen. De kat van de familie van
Lieshout, die niet kan aarden op het station, blijft bij Toon en
Lieneke van der Pluijm-van Maaswaal wonen.
Riek vertelde dat
toen ze in 1950 slaagde voor haar coupeuse examen en met haar
diploma thuiskwam als cadeau een doos met verhuisspullen in de
hand gedrukt kreeg om over te brengen naar het station.
De laatste stationschef is na het opheffen van het
reizigersvervoer overgeplaatst. Janus is nooit stationschef
geweest, en blijft nog 5 jaar lang de baas over een station waar
de wachtkamers, de retirade en de loketruimte gesloten zijn.
Al is het passagiersvervoer verdwenen, het goederenvervoer is
nog aanzienlijk. Elke dag komt er rond 12.00 uur vanuit Lage
Zwaluwe een WD-locomotief met heel veel wagons aan de haak het
station Geertruidenberg binnenlopen.
Dit goederenvervoer bracht heel wat bedrijvigheid met zich mee
op het station. Er was nog genoeg volk op het station te vinden,
maar het bekende ratelgeluid dat men hoorde bij het bedienen van
wissels en seinen was verstomd.
Er wordt gerangeerd, en de wagons gaan naar de Tankfabriek, De
Juin, Dongecentrale en Amercentrale. Ook de fietsenhandel van
Piet Stoop aan de Stationsweg krijgt zijn mooie fietsen
aangevoerd per spoor. Mijn moeder had een fiets besteld bij Piet
maar die bleek bij aankomst beschadigd te zijn aan de
kettingkast. Piet zei tegen mijn moeder dat de fiets tijdens het
transport was omgevallen. Kan gebeuren zei mijn moeder maar trek
er maar wat florijnen van de prijs af.
Janus was een man van uur en tijd. Zo werden in die tijd ook
fietsen en andere losse goederen ter vervoer aangeboden. Dat kon
tot een bepaalde tijd. Als men na sluitingstijd kwam nam Janus
de goederen niet meer in ontvangst. Zijn vrouw zei dan tegen
Janus dat hij niet moeilijk moest doen. Janus was echter niet te
vermurwen.
In 1955 trouwde Riek vanuit het station met Toon Waas. Datzelfde
jaar verhuist Janus naar de Graaf Willem I straat in
Geertruidenberg.
De spoorweghaven was voor Riek geen onbekend terrein. In 1950
kende de spoorweghaven nog eb en vloed. Jos van Lieshout en Toon
Waas, haar latere man, vonden bij eb in de spoorweghaven een
houten roeiboot. Het bootje had oorlogsschade opgelopen, en
gezamenlijk hebben ze toen het bootje geborgen en opgeknapt.
Het stel ging dus lekker varen vanuit de spoorweghaven naar de
Donge. Een keer schatte men het tij verkeerd in. Het was eb en
men kon niet meer in de spoorweghaven komen. Jos lukte het nog
door diverse capriolen uit te halen aan land te geraken, maar
Toon bleef achter. Janus ging 's nachts verschillende malen zijn
bed uit om te informeren of Toon per ongeluk niet uit de boot
was gestapt.
Toen Riek op het
station woonde lag alleen Giel Oome in de spoorweghaven met zijn
ark. Zwemmen deed Riek ook graag. De meeste Bergenaren moesten
via de Koestraat, wachtpost 12 (Spitters) en een laan met bomen
(best lang zegt Riek) naar de ingang van de zwemkom lopen. Riek
kon gewoon het emplacement oversteken en was dus snel met haar
gebreide badpak in het zwembad te vinden. Van Meeuwen had een
jachtterrein tussen de spoorweghaven en de Donge. Peridon had
een steenkolenhandel(?) met laadperron op het emplacement. Riek
heeft ook gezien, dat er ’s middags treinen vol afval vanuit
Lage Zwaluwe naar Geertruidenberg kwamen. De wagons werden
vervolgens leeggekieperd in het terrein buiten de sluitwal.
Momenteel, 2007, vindt er een bodemsanering van de Spoorhaven
e.o. plaats. Het oude spoorwegterrein was gewoon een reguliere
vuilstort.
Als je ziet wat er allemaal uit de grond wordt gehaald in het
kader van de sanering! Het station van Geertruidenberg, de
goederenloods, het station van Waalwijk en de katholieke kerk
van Geertruidenberg zijn weer uit de grond gehaald en zijn door
de puinbreker gegaan. Het levert thans metershoge bergen
gebroken puin op.
Jos de Wit:
Jos komt uit een echte spoorwegfamilie. Zijn broer Bert, zijn
vader en hijzelf werkten voor langere dan wel kortere tijd bij
de Staatsspoorwegen later, in 1937, omgedoopt tot de NS.
Zijn vader en broer Bert
maakten de 40 jaar bij de NS vol. De vader van Jos was
lijnwerker op het traject Baardwijksche Steeg (RKC
stadion)-Nieuwkuijk. Bert zocht zijn heil in de Randstad en was
gestationeerd op het station Dordrecht. De vader van Jos wist
het tot ploegbaas te brengen.
Jos verhuisde, toen hij 3 jaar was, rond 1925/1926, naar
wachtpost 31. Als er post binnenkwam voor de familie was had die
steevast het adres wachtpost 31.
Hij werkte van 1942-1945 bij de NS als stationsbediende. ’s
Morgens werkte hij op het station Vrijhoeve-Capelle en ’s
middags kon men hem vinden op het station Drunen=Heusden.
Op het station Drunen=Heusden
werkte Jos o.a. met de stationsbedienden Mandemakers en Van
Dungen. Hij beheerde er o.a. de fietsenstalling, die zo groot
was dat zelfs de goederenloods er te klein voor was. Er was een
groot vervoersaanbod in Drunen=Heusden, en daarom had Jos soms
werkdagen van 07.00 uur tot 20.30 uur. Die lange werkdagen
echter weerhielden Jos er niet van een cursus Seintoestellen,
geen Seinwezen heeft hij mij gezegd, in Den Bosch te
volgen. Bij de NS kende men in die tijd banen zoals
lijnassistenten, stationsambtenaren, haltechefs
(Vercruijsen) en stationschefs (Kouters in Waalwijk).
Voor Vercruijsen waren Hendriks en nog eerder Priem bewoners van
het station Drunen=Heusden. Toen op 31 juli 1950 het
personenvervoer op de Langstraatspoorlijn werd gestaakt, werkte
Vercruijsen al niet meer bij de NS.
Het station Drunen=Heusden had geen stationschef; alleen
Waalwijk en Geertruidenberg hadden een stationschef. Tijdens de
beschietingen in het najaar van 1944 werd het station
Drunen=Heusden zwaar beschadigd. Vanuit Lage Zwaluwe werden
arbeiders met gereedschap maar zonder materiaal naar
Drunen=Heusden gestuurd. Jos heeft toen maar met anderen het
station provisorisch hersteld. Ook het oliehok verdween in die
periode.
Het 2e perron van Drunen-Heusden was bestraat met
klinkers. Toen de bruggen over de Baardwijksche Overlaat in 1945
werden vervangen door een dijk kwamen de arbeiders aan dat
project ’s avonds hun dorst lessen in het cafe dat nog steeds
(onder) bij wachtpost 30 staat.
In 1937 vestigde zich Lips te
Drunen. Naast scheepsschroeven werd in de oorlog heel veel
groente, soms wel 5 wagons per dag, via de veiling in Drunen en
het station Drunen=Heusden naar Duitsland verzonden. Jos was
soms treinconducteur op de lijn, want als de reguliere
conducteur uitviel belde de stationschef van Waalwijk (Kouters)
op met de vraag of Jos niet wilde invallen.
De reizigerswagons, zeker die
van de 3e
klasse, waren zeer eenvoudig. De zitplaatsen bestonden uit
lattenbanken. Er reed wel een rijtuig voorzien van een wc mee.
Heel veel vertegenwoordigers in schoenen maakten gebruik van de
trein. Jannie, de vrouw van Jos, weet te vertellen dat die
vertegenwoordigers, wanneer ze ’s morgens met de trein naar
school in Den Bosch ging, al aan het kaarten waren.
Op het traject, dat voor Jos zo
bekend is, zijn ook veel ongelukken gebeurd. Zo liep een
groenteboer uit Elshout, dhr. Krol, onder de trein. De broer van
Jos mocht de restanten opruimen. Er waren ook personen die graag
de trein op snelheid uitdaagden. Zo liep het fataal af voor de
waaghals, die dacht op zijn motorfiets de overweg eerder te
kunnen passeren dan de locomotief. De trein was hem voor, en zo
reed de waaghals zich tegen de trein te pletter.
Jos vertelt verder, dat er nogal wat kinderen uit Elshout
onderwijs volgden in Drunen zoals b.v. de kinderen van de
(here)boer Vermeer. De moeder van Jos kon men al voor 1942 om
16.00 uur bij wachtpost 31 vinden ten einde de kinderen een
veilige overgang naar Elshout te garanderen. Wat wachtpost
30 betreft vertelt Jos dat daar Jo van Valen
overwegwachteres was.
Jos heeft na zijn avontuur bij NS jarenlang een sigarenmagazijn
gehad in de Wolfshoek vlakbij wachtpost 32. Hij keek o.a. uit op
villa Anna, Tinus van Iersel, van den Hoven (schikdraat) en
bakker van Delft.
In 1966 vertrekt Jos, die naast
Bertus van Engelen woonde en ook naar Drunen vertrok,
i.v.m. de aanleg van de A59 naar Drunen. De Wolfshoek,
Badhuisstraat en Pleune Wiel gingen er een stuk anders uitzien.
Toon Spitters: De
vader van Toon Spitters, Jan, gaf leiding aan de onderhoudsploeg
die als werkterrein de westelijke Langstraat had. De moeder van
Antoon bediende 27 jaar lang de overweg bij wachtpost 12. Jan
Spitters legde in 1949 met zijn ploeg het raccordement naar de
nieuwe Amercentrale aan. Jan Spitters had een motorlorrie
waarmee hij de lijn afstruinde. De motorlorrie had als domicilie
het emplacement van Geertruidenberg. Jan werkte ook samen met
mensen van bouwbedrijf Schapers-de Bont v.w.b. het onderhoud van
de hoofdlijn.
De Amercentrale werd geopend in 1951. Ik was er met mijn klas
ook bij. In 1951 werd mijn klas met dhr. van Onzenoort
afgemarcheerd naar de Amercentrale. Ik verwonderde mij over het
zo mooi in de stenen gelegde dubbelspoor, en de bands die
optraden. Ik had nog nooit een tamboer maitre gezien, laat staan
eentje van mijn eigen leeftijd.
Frans Pulles:
Frans heeft meer dan 23 jaar gewoond in wachtpost 33 op de
z.g.n. Kuikse Heide met als huisnummer C.66.
Het betreft de periode 1934 t/m 1957. Frans woonde er vanaf zijn
2e t/m zijn 25e levensjaar. Zijn hele jeugd, met de nodige
streken erbij, bracht Frans dus door op wachtpost 33.
De buurt in de omgeving van wachtpost 33 bestond uit een zevental boerengezinnen; meestal hadden
ze 4 koeien, 3 varkens, 20 kippen en wat boomgaard en 1.5 ha
grond. De gezinsgrootte varieerde van drie tot wel 14 kinderen;
ergo: veel armoede.
De vader van Frans heeft nooit bij het spoor gewerkt. Toen Frans, zijn vader en moeder in
wachtpost 33 kwamen wonen was zijn vader
net 40 geworden. Hij kon toen niet meer voor een vaste baan bij
de NS terecht. Zijn vader had daarvoor bij de B.B.A. (bij de
tram) gewerkt als lijnwerker en had dus op spoorgebied voldoende
ervaring (22 jaar dienst).
Frans was in zijn jeugd bevriend met een zoon van de
stationschef van Drunen=Heusden.
Frans heeft in die tijd veel dingen beleefd die hem altijd zijn
bijgebleven als een van zijn mooiste jeugdherinneringen
Veel treinreizen heeft Frans in die tijd niet gemaakt. Dat
kostte alleen maar geld. Alles ging met de step of met een fiets
met harde banden.
Naar Den Bosch of Waalwijk fietsen was maar heel gewoon ook toen
Frans in Den Bosch op de LTS zat. Bij grote uitzondering (in de
wintermaanden) mocht hij een jeugdkaart van een maand kopen;
deze kostte fl. 9,50. Zijn vader had toen een weekloon van fl.
36,00 per week bij de Lips. Frans was toen tussen de 14-16 jaar, en
kostte alleen maar geld. Hij mocht een vak leren, een uitdrukking
van zijn moeder die hij wel honderd keer heeft gehoord als hij
eens vroeg om b.v. meer zakgeld of een nieuwe fiets.
Frans was het enige kind in het gezin. Zijn opvoeding was
zodanig dat hij maar weinig ruimte had.
Wachtpost 33 lag zo ongeveer op de helft van de stations
Drunen=Heusden en Vlijmen. De treinen reden daar met de hoogste
snelheid, 60-70 km per uur, voorbij. Met enige regelmaat kwam in
de buurt bij wachtpost 33 een trein tot stilstand ten gevolge
van pech aan de loc zoals een lekkende stoomleiding of een
gebroken koppelstang van de aandrijfwielen.
De reizigers en het personeel stapten bij mooi weer dan uit, en
het duurde soms uren voordat er een andere loc kwam om de zaak
af te slepen. Even bellen bij wachtpost 33 was er niet bij want
ze hebben daar nooit telefoon, waterleiding, stroom of gas
gehad.
Het begrip sjoemelen bestond ook al in dertiger en veertiger
jaren. In de oorlogsjaren had de familie geen gebrek aan kolen.
Een bevriende machinist uit Vlijmen, de Pranger, gooide met
plezier wat kolen af bij de wachtpost 33 als hij passeerde.
De vader van Frans bracht hem als dank wat tabak, koffie en
brandewijn.
De stationschef van Drunen=Heusden Cruyssen had een riante bewoning op de 1e en
zolderverdieping van het stationsgebouw.
Er was daar een grote woonkamer, zitkamer, keuken en in totaal
nog 4 slaapkamers. Alle kamers, ook de slaapkamers, hadden als
verwarming een kolenkachel. Deze kachels behoorden tot de
inventaris c.q. waren van NS. De gehele bewoning was gratis
incl. water., elektra en telefoon.
Het inkomen van de chef is Frans onbekend, maar de chef vertelde
wel eens tegen iemand dat het wel tweemaal zoveel was als wat
een arbeider verdiende. Een arbeider verdiende in die tijd fl.
35,00 per week.
Het gezin van de chef kon onbeperkt vrij reizen 2e klasse.
Kolen heeft de stationschef nooit gekocht. De kolen werden
gehaald uit de voorraad dienstkolen die bestemd was voor de
verwarming van de stationsgebouwen.
Tijdens de bevrijding op 4 november 1944 werd wachtpost 33 zwaar
beschadigd door twee granaatinslagen. M.b.v. planken en stutten
heeft men het huis voor de helft bewoonbaar kunnen maken.
Pas in mei 1946 werd door NS het huis hersteld. De huishuur, fl.
2,50 per week, werd ook gedurende 20 maanden van onbewoonbaar
zijn elke week door de chef opgehaald. Een van de jaarlijkse
hoogtepunten was het huisbezoek door de Chef-opzichter van het
traject, die woonde in een prachtige dienstvilla in Moerdijk.
Zijn naam was Van Starkenburg-Stadhouwer.
Zijn komst werd al weken van tevoren aangekondigd met de juiste
datum en tijd erbij. Iedereen was dan ook heel bezorgd en bang.
Alles in huis en buiten moest er piekfijn uitzien volgens de
regels van de huurwaarden en die waren zeer strikt. Enkele
voorwaarden: beplanting om het huis mocht niet hoger zijn dan 60
cm dit i.v.m. goed uitzicht op de overweg. Het was verboden om
duiven te houden en men mocht niks in- of uitwendig veranderen
aan de woning. Het was zelfs verboden om spijkers in de muren te
slaan aan de buitenzijde. De schoorstenen moesten jaarlijks
worden geveegd door een erkende veger (de nota werd soms door de
opzichter opgevraagd).
De dakgoten moesten brandschoon zijn (de opzichter ging via een
laddertje kijken). Het hoogtepunt was als na de inspectie aan de
bewoner gevraagd werd of hij of zij nog wensen had. Die waren er
natuurlijk genoegen in alle onderdanigheid werden die dan aan de
opzichter kenbaar gemaakt; een assistent schreef De opzichter
vertrok weer met zijn motorlorry en of er nog iets aan de
klachten gedaan zou worden werd na een half jaar per brief
medegedeeld. Meestal was het weinig en werden de noodzakelijke
reparaties maar door de bewoner zelf gedaan. Frans vertelt dat
hij met vriendjes probeerde met kiezelstenen de meeste
porceleinen isolatoren van de telegraafpalen stuk te gooien. Een
andere hobby was om kiezelstenen op de rails te leggen. Deze
knarsten dan met rook en lawaai kapot als er een trein over reed.
Frans maakte een angstig avontuur mee wat die kiezels betreft.
Hij is er toen maar mee gestopt. Wat was het geval? Omstreeks
juli-augustus 1944 zou hij op een mooie zomeravond rond 22.00
uur met nog drie andere jongens flink wat stenen op de rails
gaan leggen. Men had daartoe de rails ter hoogte van het huidige
Land van Ooit uitgekozen c.q. een beboste omgeving. De laatste
trein zou om 22.20 uur vanuit Drunen richting Den Bosch komen.
Het was al behoorlijk schemerig en men had enkele meters kiezels
gelegd. Men kroop toen op veilige afstand in het struikgewas om
het een en andere af te wachten. Wat gebeurde? Even na 22.00 uur
zagen de jongens vanuit richting Den Bosch een zware trein
aankomen. Achteraf bleek dit een extra militaire trein te zijn.
Meteen nadat de locomotief over de kiezels had gereden remde
deze sterk af en kwam tot stilstand. De machinist vermoedde een
aanslag op het spoor. Meteen sprongen er tientallen Duitsers met
geweren uit de trein. De jongens zette het meteen op een
vluchten en kwamen ongezien weg zij het met de nodige schrik en
angst. Vanuit het raam van wachtpost 33 keek Frans toe wat er
zoal gebeurde. De machinist en enkele soldaten klopten bij
wachtpost 33 aan en vroegen Frans zijn ouders telefoon hadden en
of zij niks vreemds hadden gezien. De moeder van Frans, die
alleen thuis was, had natuurlijk niks gezien en Frans al
helemaal niet. Pas vele jaren later heeft Frans dit geval bij
zijn ouders opgebiecht. Tijdens de spoorwegstaking i september
1944 moest ook de haltechef van Drunen=Heusden onderduiken.
Hij heeft toen 's nachts een paar keer geslapen in het houten
schuurtje in een lege geitenstal.
In de strenge winter van 1947 mocht Frans met de trein naar de
LTS in Den Bosch. Het was pure lol in de coupes met de meisjes.
De wagons waren voorzien van aparte coupes met 6-8 zitplaatsen.
Op een gegeven moment zaten of lagen er wel 10 personen in de
coupe. Ook in de bagagenetten lagen mensen. En maar zingen,
stampen en de met meisjes spelen (kietelen) vertelt Frans.
Enorme herrie dus. Tijdens een stop te Vlijmen kwam er bij Frans
in de coupe een deftige heer zitten voorzien van hoed en leren
jas. Men keek eerst wat vreemd maar men ging al spoedig verder
met het vermaak. Vlak voor de stop in Drunen stond bovengenoemde
heer op en liet een kaart zien met een gouden penning met daarop
zijn naam. De man was van de spoorwegpolitie en heette
Suikerbuik. De naam zorgde voor de nodige hilariteit. Het lachen
verging de jongelui echter snel. De heer Suikerbuik nam alle
jeugdkaarten in beslag. Voor Frans en nog een andere jongen was
dat niet zo erg. Zij waren immers thuis maar een vijftal jongens uit Waalwijk en Waspik moest maar zien hoe ze
thuiskwamen. Ze moesten de trein uit en te voet verder.
De volgende dag kreeg iedereen zijn kaart van de stationschef
weer terug. Frans vertelde, dat ze na dit voorval wel wat
rustiger waren geworden.
Frans weet nog veel meer te vertellen over de handel en wandel
voorzien van anekdotes m.b.t. het spoorwegpersoneel. Aanvulling
van de pagina volgt dus!
Als aanvulling op het verhaal van Frans vond ik een bericht uit
De Stem van 26 januari 1949. Men heeft het dan over Ongewenste
toestand in de personentrein Lage Zwaluwe. De KAJ werd van het
navolgende feit in kennis gesteld. In een der wagons van de
personentrein op het traject Lage Zwaluwe-Den Bosch is het licht
regelmatig defect. 's Avonds en 's morgens wordt hiervan sterk
misbruik gemaakt door mannelijke en vrouwelijke personen die
naar en van hun werk reizen. Verzocht is deze trein voortaan op
elk station te laten controleren (op wat?). In de wagons werd
gezoend en gevoeld. In 2009 is er niks veranderd in de wagons
word nog steeds gezoend en gevoeld al blijft wel het licht aan.
Op 16 februari 2009 had ik weer een interview met Frans in
Drunen:
Sjaak Muller, een zoon van Dirk Muller, zat rond dezelfde
tijd met Frans op dezelfde LTS in Den Bosch. Hij vertelde dat
ook zijn maandtrajectkaart door dhr. Suikerbuik was ingenomen
omdat deze hem er van verdacht met een sigaret een gaatje in de
lambrisering van de coupe te hebben willen branden teneinde in
de andere coupe naar meisjes te kunnen kijken.
Toen Frans op wp33 kwam te wonen waren perron en abri al lang
verdwenen. In mei 1907 zijn perron en abri opgeruimd.
Frans bezocht de LTS in Den Bosch. Wanneer hij met de trein
mocht reizen, dat was alleen in de wintermaanden, ging hij te
voet of met de fiets naar station Drunen=Heusden. Frans was in
het bezit van een speciale groene kaart welke hem toestemming
gaf langs de spoorlijn te lopen of te fietsen. Het voeren van
licht was verboden; dit kon de machinist in verwarring brengen.
Men liep of fietste over het grintpaadje en de trein raasde je
voorbij. Er zaten amper 2 meter tussen.
Het station Drunen=Heusden had 2 perrons; Drunen=Heusden kon
daardoor als kruisingsstation fungeren.
Het kwam volgens Frans geregeld voor dat er in Drunen=Heusden
gekruist werd en dat daardoor beide perrons in gebruik waren.
Meestal stopten de treinen bij het 1e perron. Bij
wp32 in de Wolfshoek lag een wissel. Hier kwamen de perronlijnen
samen. Het wissel is uitgenomen na sluiting van het
personenvervoer.
Het 2e perron was bestraat met hele mooie
steentjes. Er stonden langs de weg van wp32 naar het station
prachtige lindebomen; tevens trof men er dat typische diagonale
zwartwit hekwerk aan.
Naast het station stond een retirade en daarnaast een schuurtje
waar de schoppen, de bijlen en de kolen enz. werden bewaard.
Voorzover Frans weet was de 1e en 2e
klasse wachtkamer (gezamenlijk) niet meer in gebruik. De
wachtruimte werd gebruikt om pakjes, dozen e.d. op te slaan. In
deze wachtkamer waren de zittingen langs de muur bekleed.
In de wachtkamer 3e klasse stonden 2 grote hoge
kachels. De banken welke langs de muur bevestigd waren boden
plaats aan minstens 50 personen. Frans zegt dat hij zowel
tijdens als na de oorlog niet veel met de trein gereisd heeft.
De trein was niet goedkoop. Zo kostte een maandkaart 9 gulden en
dan te bedenken dat het weekloon van vader niet meer dan 35
gulden was. Alleen tijdens de wintermaanden gerekend vanaf begin
november mocht hij met de trein. De rest van het jaar werd het
fietswerk. Dus hoogstens 2-3 maandkaarten konden er af.
De LTS welke Frans bezocht was gelegen aan het Kardinaal van
Rossumplein in Den Bosch. Vanaf het station in Den Bosch moest
er daarna nog een dik kwartier gelopen, Frans zei rennen,
worden.
In de tijd dat Frans met de trein naar school ging was dhr.
Cruyssen haltechef op het station Drunen=Heusden.
Hij bewoonde met zijn vrouw en groot gezin het grote station.
Op de begane grond bevonden zich de dienstgebouwen. Om te wonen
had men de 1e etage en de zolder ter beschikking. Op
de 1e etage bevonden zich een grote woonkamer, een
zitkamer en een keuken; daarnaast waren er nog 4 slaapkamers
allemaal voorzien van een kolenkachel.
Verder waren er boven nog 3 slaapkamers waar het ’s winters
niet fijn vertoeven was volgens Frans die wel eens op het
station logeerde bij vriendje Henk.
Frans ging in Den Bosch naar de LTS omdat daar de opleiding
autotechniek kon worden gevolgd. Ook het vak van meubelmaker en
metselaar kon men alleen in Den Bosch leren. Er zaten bij Frans
dus jongens uit Raamsdonksveer en Waspik in de trein naar Den
Bosch.
Frans vertelt dat, om de haltechef te ontlasten v.w.b. de
avonddienst en morgendienst (van 06.00-23.00), vervangers werden
ingezet. Jos de Wit was ook een vervanger. Na de oorlog waren er
op het station twee vervangers uit Maastricht gestationeerd. De
vervangers kwamen meestal uit Waalwijk of Den Bosch.
Frans weet nog een verhaal over de vervanger B., hij kwam uit
Den Bosch, te vertellen. Nadat de laatste trein rond 11.30
vanuit Drunen naar Den Bosch was vertrokken en hij de spoorbomen
bij wp32 aan de Wolfshoek had neergelaten en vervolgens had
opgehaald moest hij per fiets naar Den Bosch toe.
Deze man had daar echter geen trek in. Hij sloot een deal met
Pieter van S. van het stationskoffiehuis dat tegenover het
station lag.
B. zou het station afsluiten en Pieter zou voor het vertrek
van de laatste trein richting Den Bosch de bomen neerlaten
en ophalen. Zo kon de heer B. op de trein richting Den
Bosch stappen en zich een fietstocht naar Den Bosch besparen.
Op een gegeven moment kwam men achter de handel en wandel van
de heer B. Zijn deal met Pieter van S. kwam hem op een
berisping te staan. Voortaan toch maar weer met de fiets naar de
Hertogstad.
Bepaalde machinisten en stokers waren goede bekenden van de
ouders van Frans. Zo gooide een machinist, zijn bijnaam was de
Pranger, uit Vlijmen met plezier wat kolen af bij wp33 als hij
die passeerde. Frans ging dan op de step met zijn moeder de kolen rapen.
Als tegenprestatie nam zijn moeder op gezette tijd een halve
liter jenever, in een onopvallende verpakking, uit Den Bosch mee
welke Frans op wp39 moest bezorgen. Als beloning kreeg Frans een
appel. De week daarop lag er weer volop cokes in de buurt van
wp33.
Toen het op 31 juli 1950 was gedaan met het
personenvervoer is Cruyssen vroegtijdig met pensioen gegaan. Hij
ging Hoover wasmachines verhuren. Volgens Frans is Cruyssen niet
oud geworden. Toen hij stierf waren alle kinderen al uit huis.
Zijn vrouw bleef in het station wonen en ging kostgangers
houden. Dit waren mensen die bij Lips werkten.
Slechts een van de kinderen van de haltechef bleef het spoor
getrouw; dat was Antoon. Later is hij overgeplaatst naar een
post in de omgeving van
Lage Zwaluwe. Piet, zijn jongste zoon, heeft nog op de
naoorlogse spoorbussen gereden. Piet bestuurde later ook de z.g.n. bussen met oplegger. Dat waren de bekende Crossly bussen
met Rolls Royce motoren. Als Frans met de bus ging dan probeerde
hij voorin een plaatsje te bemachtigen. Voorin had men vanuit de
ophoging goed zicht op het reilen en zeilen binnen de cabine. De
snelheid lag meestal rond de 60 km/uur.
Frans weet te vertellen dat het met de tram door de
Langstraat in 1938 gedaan was. Aanvankelijk had men tijdens de
aanleg het
tramspoor met de spoorlijn bij wp30 willen laten kruisen. Tijdens
proefritten bleek dat bocht voor de tram te steil en te krap
was. Men heeft de trambaan toen onder een overspanning van de
brug over de Baardwijkse Overlaat gelegd. Deze enkele
overspanning ligt er nog steeds en maakt deel uit van het
fietspad. Nadat de tram onder de overspanning was doorgereden
reed ze richting Baardwijk en passeerde ze de brug over het
Afwateringskanaal welke voorzien was van tramrails. In 1944 werd
die brug opgeblazen en vervangen door een Bailey-brug (1944).
Een echte rammelkast.
De vader van Frans heeft 18 jaar bij de tram gewerkt; deze
werkzaamheden bestonden o.a. uit het spooronderhoud van het
traject Drunen-Kaatsheuvel. Opheffing van de tram in 1938
betekende voor zijn vader ontslag c.q. het einde van zijn
dienstverband bij de BBA. Hij ontving 500 gulden voor de afkoop
van pensioenrechten.
Er komen nog meer mensen aan
het woord zoals Dinie Kieboom-Meulerik uit Raamsdonksveer wiens vader in
de veertiger jaren haltechef was te Raamsdonksveer.  |