|
Op deze pagina vindt u mijn herinneringen aan de Langstraatspoorlijn. Deze herinneringen gaan terug tot 1947.
Ik was toen 3 jaar.
Het verhaal begint met mijn opa van moederskant. Mijn opa Sjaan Berende
een boer uit Geertruidenberg, overleden in 1935, ging elke
woensdagmorgen met de
(markt)trein naar de Bossche markt. Om te voorkomen dat hij de
trein zou missen nam hij een half uur voor vertrek plaats in
de 3e klasse wachtkamer van het station Geertruidenberg. Ver
hoefde
mijn opa niet te lopen want zijn boerderij lag op niet meer dan 200
meter van het station. Zijn vrouw en mijn oma
Jans Stael,
geboren in 1876 te Hank, maakte veelvuldig gebruik van de Zuiderstoomtram om inkopen in Oosterhout te doen.
Wanneer zij
dan weer met de tram terug was in Geertruidenberg bleef ze
rustig zitten totdat alle passagiers waren uitgestapt. De conducteur zei dan tegen haar
dat het tijd was om de tram te verlaten. Oma zei dan tegen hem
in haar Hanks dialect: "Ik rij er m'n centen schoon uit."
Daar kon de conducteur het mee doen.
Als
oma ergens naar toe
moest en ze vond de afstand niet al te groot dan zei ze dat de
afstand geen Bossche reis was of te wel de afstand Geertruidenberg-Den
Bosch vond ze groot.
Veel hebben mijn opa en oma niet gereisd. Het was Oosterhout of
de veemarkt in Den Bosch en bij hoge uitzondering ging oma op
bedevaart naar Kevelaer. Als ze op bedevaart ging deed ze dat
samen met haar oudere zus Margriet
die getrouwd was met Piet van der
Ven. Ze woonden in buurtschap de Helkant onder Hooge Zwaluwe. Margriet stapte dan op de trein in Hooge Zwaluwe
en oma deed dat in Geertruidenberg. Samen spoorden ze dan naar Den
Bosch. In Den Bosch stond de bedevaarttrein naar Kevelaer
gereed. De vrouwen zaten in de voorste rijtuigen en de mannen in
de achterste rijtuigen. Via Boxtel, Gennep en Goch arriveerde men
in Kevelaer.
In Kevelaer bleven de dames een nacht over.
Het was gebruikelijk dat, als men ter bedevaart naar Kevelaer
ging, een gedachtenis (Germanisme) meebracht. Tegenwoordig noemt
men dat een souvenir. Die gedachtenis bestond uit een
cadeautje in de vorm van een kaars, prentje of een beeldje.
Tante Margriet, mijn oudtante, vertelde graag over de bedevaart
met haar zus. Zij zei dan: "In Kevelaer heb ik aan u gedacht en dit als gedachtenis voor
u meegebracht."
Ze zijn in 1932 samen voor het laatst ter bedevaart naar
Kevelaer gegaan. Zus Margriet wilde niet meer met de trein
reizen. Haar man Piet van der Ven werd op 3 april 1933 rond 8.45
uur vermorzeld door de sneltrein komende vanuit Geertruidenberg.
Tante Margriet heeft daarna de
boerderij verkocht en ging wonen bij haar zus Jans in de
Koestraat. Geen leuke herinnering aan de Langstraatspoorlijn
lijkt me.
Ook mijn vader, geboren in 1911 te Hank, ging ter
bedevaart naar Kevelaer. Elk jaar vertrok vanuit Heusden een
processie naar Kevelaer. Dus ging mijn vader eerst naar het station Drunen=Heusden
en daarna met de trein naar Den Bosch. Vanuit Den Bosch ging men met de
trein richting Boxtel-Gennep-Goch-Kevelaer.
In 1945 gingen mijn moeder en ik wonen op de boerderij van
oma Berende in de Koestraat.
Toen de Langstraatspoorlijn hersteld was reden er aanvankelijk
alleen
goederentreinen op de lijn. Het betreft hier zware kolentreinen getrokken
door een of zelfs twee WD-machines met soms wel meer dan 60
wagons aan de haak, die vanuit Den Bosch over Geertruidenberg naar
Rotterdam reden. Die kolentreinen passeerden de spoorbrug
over de rivier de Donge, om vervolgens langs perron 2 in
Geertruidenberg te worden
opgesteld (perron 1 was gereserveerd voor personentreinen).
Vervolgens werden enkele wagons t.b.v. de Dongecentrale losgekoppeld.
Daarna reed de trein verder richting Lage Zwaluwe.
Mijn eerste herinneringen aan de Langstraatspoorlijn betreffen
bovengenoemde kolentreinen. Ingaande 7 oktober 1947 werd het
personenvervoer over de Langstraatspoorlijn gereactiveerd.
Elk jaar zo rond eind oktober begin november startte
de
suikerbietencampagne in de suikerfabriek Statendam gelegen aan
de Donge. De fabriek leverde pulp als bijproduct wat als veevoer
diende. Die pulp werd dan door mijn ooms met kar en paard naar
de pulpkuil op de boerderij in de Koestraat gereden. In de kuil
moest de pulp worden aangetrapt. Ik mocht dan meehelpen dus
lekker 's avonds met mijn ooms pulptrappen, en natuurlijk wat
later naar bed. De kuil werd steeds voller en uiteindelijk stond
je een meter of twee hoger. Ik had zo een prachtig uitzicht op
het spoorwegemplacement van Geertruidenberg en de diverse
treinbewegingen in de late avond.
Wanneer ik met mijn moeder met de trein naar Waalwijk of Den
Bosch reisde, dat was niet zo frequent, moest er
natuurlijk eerst een kaartje, 3e klasse natuurlijk, gekocht
worden. Wanneer men het station binnenkwam zag men in de
stationshal grote zwarte tegels liggen. Het
voorfront van het plaatskaartenbureau en de rest van het
houtwerk waren groen geverfd. In het voorfront zat
een praatraampje met een schuiflade van bruin hout. De
kaartjes hingen in een kaartjeskast. Rechts naast het plaatskaartenbureau bevond zich achter een deur het bagagebureau,
en links, ook achter een deur, was het bureau van de
stationschef te vinden. Links in de stationshal kon men via een deur de
wachtkamer 1e en 2e klasse bereiken. In die wachtkamer bevond
zich rechts een schoorsteen met een grote
kolenkachel. Tegenover de kachel stond een bank. Via een van de
twee deuren kon men op het perron komen. Rechts in de
stationshal kon men via een deur de wachtkamer 3e klasse
bereiken.
Links in die wachtkamer was een ook schoorsteenaansluiting met een
grote kolenkachel en tegenover die kachel stond een bank. Via
een van de drie deuren kon men op het perron komen. De
wachtkamers waren hoog en voorzien van een houten vloer die veel
lawaai maakte als je er op sprong. Mijn moeder verbood mij dat
maar wat doet een kind van 5 jaar? Reclame vond men ook in
de wachtkamer en op het station. Volgens mij betrof het o.a.
reclame voor een levensverzekering (RVS) en zeer oude genever.
Iets van Oude Delft herinner ik me ook nog wel.
Geertruidenberg had het mooiste station maar ook het mooiste
negengebouw. Dit nevengebouw, de retirade, was voorzien van
kantelen. Tussen dit nevengebouw en het station wapperde wanneer
er iets te vieren viel de Nederlandse driekleur.
Ook wat de goederenloods betreft vormde Geertruidenberg een
uitzondering. De goederenloods lag niet, zoals bij de andere
stations, in het verlengde van het station. De goederenloods was
gesitueerd midden op het emplacement.
In 1938 had het emplacement zijn grootste omvang. Gedurende de
periode 22 september-20 oktober 1939 werd het emplacement
aanzienlijk vereenvoudigd. Zo werden veel sporen
zoals het kopspoor aan de linkerzijde (richting Raamsdonksveer); daarnaast verdwenen alle dubbele Engelse wissels.
Voor zover ik mij kan herinneren had het station
van Geertruidenberg twee perrons, t.w. perron 1 een perron dat verbonden
was met het station en perron 2, een eilandperron, dat vanaf
perron 1 via een verzonken perronwand
en een bielsbevloering was te bereiken. Dit eilandperron was
betegeld. Op het eilandperron lag dikwijls een
setje wagonstoppers c.q. remschoenen om te voorkomen dat
afgerangeerd materiaal "op de loop ging". Volgens mij werd
perron 2 nooit door personentreinen aangedaan. Zowel voor de
richting Lage Zwaluwe als Den Bosch werd alleen perron 1 gebruikt.
Alhoewel station Waalwijk dezelfde perronstructuur had als
Geertruidenberg werd hier langs perron 2 wel gestopt door treinen komende vanuit Lage Zwaluwe.
Op het station In Geertruidenberg was op perron 1 voor de
bovengenoemde vereenvoudiging van 1938 zowel aan de linker- als rechterzijde een
kopspoor met stootblok aanwezig. Tijdens die vereenvoudiging werd o.a. het kopspoor aan de linkerzijde richting Den Bosch
opgebroken.
Ik weet nog dat het kopspoor aan de
rechterzijde (richting Made) aanwezig was. Dit spoor werd weinig
of niet gebruikt en was overwoekerd door gras.
In 1950 heb ik gezien hoe men het stootblok uitgroef en het kopspoor
opbrak.
Op perron 1 van Geertruidenberg bevond zich een hendelinrichting met trekdraden
(dubbele trekking) om de seinen en wissels te bedienen. Volgens
mij stond er op het emplacement van Geertruidenberg slechts een sein
en wel ter hoogte van de goederenloods t.b.v. de
binnenkomende- en uitgaande treinen. Verder liepen er vanaf het
station in Geertruidenberg twee trekdraden langs de noordzijde
van de twee aanbruggen naar het westelijk klinkmechanisme. Een
identieke situatie trof men aan te Raamsdonksveer=Keizersdijk. Vanaf
deze halte liepen ten noorden twee trekdraden richting
klinkmechanisme op de oostelijke pijler. Wanneer de spoorbrug
goed was opgezet zorgden bovengenoemde klinkmechanismen er voor
dat de trekdraden richting Geertruidenberg en richting
Raamsdonksveer werden aangetrokken zodat men in beide plaatsen
er zeker van kon zijn dat de brug te berijden was. Wanneer de
brug werd geopend kreeg men zowel in Geertruidenberg als in
Raamsdonksveer via de de trekdraden de melding dat de brug niet
te berijden was. Voor een verdere uiteenzetting v.w.b. de
beveiliging wordt verwezen naar de HTML-pagina Traject
Geertruidenberg-Raamsdonksveer.
Men kon vanaf perron 1 via een afstapje en een
bielsbevloering naar de lorrieloods lopen. De lorrie was een
groen motorwagentje t.b.v. het vervoer van wegwerkers. Eerst
werd een frame voorzien van rails op een draaipunt in de bevloering
van spoor 4 geplaatst.
De lorrie werd op dat frame geduwd en 90
graden in de
linker dan wel rechter richting gedraaid om vervolgens op spoor
4 zijn weg
te vervolgen.
Voorbij wachtpost 12 lag een wissel. Het rechtdoorgaande spoor
liep langs perron 2 rechtstreeks
richting spoorbrug. In het linksuitgaande spoor lag weer een
wissel. Linksuitgaand liep een spoor richting het stootblok bij
de retirade.
Volgens mij beschikte alleen het station in Geertruidenberg over
een retirade met kantelen. Rechtdoorgaand liep een spoor langs perron 1.
Iets voor wachtpost 13 sloot
dit spoor via een wissel weer aan op het spoor langs perron 2.
Zoals ik boven reeds vermeld heb gingen mijn moeder en ik toen
het personenvervoer op de Langstraatspoorlijn weer hervat was
shoppen in Waalwijk en/of Den Bosch. Meestal werd gestart in Waalwijk.
Kon moeder niet "slagen" in Waalwijk dan werd de trein richting
Den Bosch genomen.
Als ik dan op perron 1 stond, moeder bleef in de wachtkamer
zitten moest ik haar waarschuwen als de trein er aan kwam.
Ik zag de trein richting Den
Bosch al in de verte bij wachtpost 12 aankomen. De trein
bestond meestal uit een WD-locomotief en 3 rijtuigen t.w. een
bagagerijtuigen en 2 personenrijtuigen waarvan een 2e klasse. De
rijtuigen waren voorzien van treeplanken en het was een hele
klim om in de coupe te geraken. Een wc was volgens mij niet
aanwezig. Ik herinner mij de coupe-rijtuigen met tussenschotten
over de volle breedte. Men kon niet door het rijtuig lopen. Elke
coupe had een eigen deur aan elke zijde van het rijtuig. De
banken in een coupe stonden tegenover elkaar. In de trein reed
ook een conducteur mee. Ik heb me laten vertellen die de
kaartjes controleerde door tijdens de rit via de treeplank langs
de gehele lengte van het rijtuig van coupe naar coupe te lopen.
Bij elke halte wisselde hij van rijtuig.
Voor dat shoppen waren we de hele dag op pad.
We hadden 's morgens de trein van 10.41 uit Geertruidenberg
naar Waalwijk genomen, en als we dan uiteindelijk toch nog met de
trein vanuit Waalwijk naar Den Bosch gingen werd de
terugreis naar Den Berg 's avonds meestal per BBA bus gemaakt. Dit kwam
omdat mijn moeder de trein van 17.21 te vroeg vond en de trein
van 21.21 te laat. Wij dus met lijn 61 (de latere BBA lijn 22)
terug naar Geertruidenberg. De busrit duurde 1 uur en 10
minuten. De treinreis daarentegen minder dan 1 uur, en was
bovendien aanzienlijk comfortabeler dan het geslinger door de Langstraat
met de bus ook al had de trein volgens sommigen "vierkaante"
wielen. De bus vertrok vanaf het busstation bij het station Den
Bosch, dat lag als men uit het station kwam aan de
rechterkant, en reed vervolgens onder de twee spoorwegviaducten door richting
Vlijmen. In Vlijmen werd gestopt bij de fabriek van Van Wagenberg-Festen. De volgende halte was Drunen Tramremise.
Daarna kwamen Waalwijk Station en Capelle-Vrijhoeve Labbegat. We
gingen dan verder richting 's Grevelduin Capelle Brug en Waspik
Kerkstraat. Na Raamsdonk Cafe Koppelpaarden en Raamsdonksveer
Station kwamen we bij het station van Geertruidenberg aan.
Het kwam ook voor dat we op een woensdagmiddag
met de trein van 14.31 naar Waalwijk gingen om gebak te kopen. Mijn moeder
was een echte zoetekauw en voor vers slagroomgebak moest je echt in Waalwijk zijn
vond ze. Voor
(vierkante) appelflappen kon men altijd nog bij bakker Verschuuren op de Markt terecht.
gespoord.
Een oom en tante van vaderskant, zij woonden in het
buurtschap Peerenboom te Hank, maakten frequent gebruik
maakten van de Langstraatspoorlijn. Mijn tante ging reisde naar Den Bosch om
ellegoed te kopen op de markt daar. Haar
oudste broer, die toeziend voogd over mij was, bezocht
regelmatig vergaderingen van het Waterschap in Dordrecht. Hij
vertelde daar graag over. Hij had het dan over een jonkheer de
Geer van Oudegein o.i.d. Hij reed net al mijn tante eerst op de fiets vanuit Hank naar
de halte Raamsdonksveer=Keizersdijk. Daar werd de fiets gestald
en een kaartje gekocht bij Bart Meulerik. In de vox populi was
het dat men zijn fiets stalde en een kaartje kocht bij den
Overweg.
Eind veertiger jaren ging ik op zondagmiddag met mijn
moeder wandelen. Ik werd dan in een matrozenpakje gehesen
(meestal gemaakt uit een oude jurk van een tante). In mijn
rechterborstzak zat een fluitje dat bevestigd was een en wit
koordje.
Ik had zowel een blauw als een roze matrozenpak. Ik heb me altijd
afgevraagd hoe een moeder er toe kan komen om een kind in een
roze matrozenpak te hijsen. Ik heb er een aversie tegen de
kleur rose aan overgehouden. Tante Mieke, de vrouw van een broer van
mijn moeder,
maakte mijn matrozenpakjes. Op zondag ging ik dan met mijn
moeder met de trein of achterop de fiets van Geertruidenberg naar Raamsdonk om
bovengenoemde kleren te
passen. Als we met de fiets gingen reden we vanuit Geertruidenberg via
de Keizersdijk en Julianalaan en de Nieuwe Weg naar Raamsdonk.
Als we dan gingen wandelen probeerde ik
zelf de wandelroute te bepalen. Dus vanuit de Koestraat door de Leerthouwerstraat richting
station en daarna richting spoorbrug.
Voor de spoorbrug
liep ik dan meestal naar het zwartwitte hek om te kijken of de
spoorbrug gesloten was. Als dat het geval was wist ik dat er een
trein in aantocht was. Ik mocht dan op de trein wachten en mijn
moeder stond ondertussen te praten met Bergse en Veerse mensen. Op zondag
liepen er heel wat mensen over de brug van Den Berg naar het
Veer en terug.
Ik heb mijn moeder zelfs kunnen overhalen om
op zondag een retourtje Geertruidenberg Raamsdonksveer te nemen.
Bij
mijn oma op de boerderij werkte eind veertiger jaren iemand die uit Raamsdonksveer kwam.
Volgens mij heette die man Van Seters. Hij
wandelde elke zondagmorgen rond de mis van 10.00 naar zijn
ouders in Raamsdonksveer. Met de Kerk had hij m.i. niet zoveel. Hij hield
wel van treinen, en dat kwam mij goed uit. Ik wandelde met hem
mee en als de trein vanuit Geertruidenberg richting het Veer
vertrok probeerden wij, hardlopend, nog voor de trein bij de
spoorbrug te zijn. Dat lukte altijd.
Om boodschappen te doen in Waalwijk of Den Bosch stapten wij ook wel eens bij ome
Manus op de trein. Ome Manus had een cafe bij de halte Raamsdonksveer=Keizersdijk.
Mijn moeder
kocht eerst kaartjes bij Bart Meulerik. Daarna gingen we naar
Ome Manus, en
wachtten daar tot de trein kwam. Mijn moeder er dronk haar koffie en
ik kreeg zelfs Ranja. Als we de trein over de spoorbrug zagen
aankomen begaven ons naar het uit koolas en bielsen
samengestelde
perron van Bart Meulerik.
Bart had ondertussen zijn houten
overwegbomen zonder traliewerk maar wel voorzien van reflectoren neergelaten.
De locomotief passeerde sissend en
in wolken van rook en stoom gehuld de overweg om vervolgens langs het
perron te stoppen. Bart haalde de overwegbomen weer op. terwijl
de conducteur ondertussen het instappen en uitstappen van de treinreizigers
in goede banen leidde. Wij klommen vanaf het zeer lage perron in de coupe en
spoorden richting Waalwijk.
In mei 1948 trouwde de jongste zus van mijn vader en ging in Eersel,
een van de Acht Zaligheden, wonen. Tot 1956 gingen mijn moeder, ik en een nichtje
van mij dat in Raamsdonk woonde tijdens de grote vakantie naar
die tante. Bij mijn oma in de Koestraat was geen spoorboekje
aanwezig. De buren van mijn oma t.w. Tom Scherer en zijn vrouw
Tona hadden wel een spoorboekje want hun zoon Jan bezocht n.l.
de Zeevaartschool in Dordrecht, en moest dus geregeld met
de trein van Geertruidenberg naar Dordrecht. Als wij dus met de trein
van Den Berg naar Den Bosch moesten liet mijn moeder mij bij Tona Scherer vragen wanneer de trein naar Den Bosch vertrok. Tona zei dan tegen mij in
haar Bergs dialect dat we
moesten 'moaken de we om half elf op het station ware'. De trein
vertrok n.l. om 10.41. Anders moesten we met de bus of met de
trein van half drie richting Den Bosch.
Ik terug naar mijn moeder en die vertelde mij dat ik haar moest
waarschuwen als op de wekker,
welke bij mijn oma in de z.g.n. glazen kast stond, de kleine
wijzer op tien en de grote wijzer helemaal onderaan stond. Zo heeft men mij
reeds op jonge leeftijd de klok geleerd. Ik hield de wekker in
de gaten en
vond het op een bepaald tijd dat mijn moeder en ik met onze gele
biezen koffers met daarom een bruine
riem richting station
gingen. Eindelijk liepen we dan met onze
koffers via Koestraat en Leertouwerstraat (de Klim) richting station. Moeder kocht kaartjes aan het loket en ging in
de wachtkamer 3e klasse zitten. Erg druk in de wachtkamer was
het niet. E.e.a. zal wel verband gehouden hebben met het
tijdstip waarop wij de trein namen. Gesproken werd er in de
wachtkamer volop. Mijn moeder kende elke Bergenaar dus een
gesprek was snel aangeknoopt. Steevast werd de vraag gesteld
waar de reis naar toe ging. Mijn moeder zei dan dat ze naar een
zuster van haar man ging die in Eersel achter Eindhoven woonde.
Dat was een hele reis. Natuurlijk liet mijn moeder zich ook
informeren over het laatste nieuws in Geertruidenberg. Is er nog
nieuws in het Bergske? Er was natuurlijk altijd wel iemand die
bij zijn vrouw was weggelopen of in een dronken bui de huisraad
kort en klein had geslagen. Stationspersoneel trof je soms ook
in de wachtkamer aan. Het ging er gemoedelijk aan toe.
Natuurlijk vertelde van Lieshout tegen moeder dat ik zowat elke
middag op het perron was te vinden. Van Lieshout zei dat hij mij
verboden had te dicht bij de perronwand te komen. Ik had goed
naar hem geluisterd. Ergo: gevaar was er niet. Nu waren er
tussen 12.00 en 14.00 uur weinig doorgaande treinbewegingen op
het station van Geertruidenberg. Wel stonden binnen mijn
beleving hele lange goederentreinen op het tweede spoor
opgesteld. Ja, er was heel wat bedrijvigheid in ons stadje. Op
een gegeven moment had ik genoeg van de gesprekken in de
wachtkamer en liep ik het perron op. Meneer van Lieshout stond
meestal bij de hendelinrichting en zei
ook nu tegen mij: "Zo Jantje ben je weer op eens op het station?". Gij wilt zeker
later ook stationschef worden met zo'n mooie pet met rode bies?
Nou, ik wilde liever machinist worden. Maar dat was latere zorg.
Nu eerst met
de stoomtrein naar Den Bosch en daarna met de electrische trein
verder naar Eindhoven. Meneer van Lieshout was een aardige man,
een spoorman pur sang. Tijd is tijd en gesloten is gesloten
placht hij te zeggen. Dat hebben de mensen geweten die goederen
ter vervoer kwamen aanbieden na sluitingstijd. Ik heb van zijn
dochter zijn insigne en oorkonde gekregen i.v.m. zijn deelname
aan de Spoorwegstaking van september 1944.
O een keer stond ik weer op het perron en zag hoe twee WD locomotieven
aan elkaar gekoppeld werden. Meneer van Lieshout vertelde mij
dat die ene locomotief ziek was en dus door die andere
locomotief op sleeptouw moest worden genomen. De volgende
dag vertelde ik op de kleuterschool dit verhaal.
Ik had nog nooit gehoord van locomotieven die in voorspan reden!
Van 1948-1950 gingen wij dus
met de trein naar die tante in Eersel.
Ik vond het een hele ervaring als ik met de trein over het
draaigedeelte van de spoorbrug over de Donge reed. Als je dan
richting Den Bosch ging en je keek rechts in de coupe uit het
raam dan zag je onder
de Donge stromen. Als ik het portier had opengedaan was ik zo in de
rivier gevallen. Ik herinner me ook nog die harde 3e klasse
lattenbanken en de hoge instap. De rijtuigen hadden een mooie
koperen klink. Met een leren riem, waarin gaatjes zaten, kon men het raampje
op verschillende standen zetten.
Na bij de halte Raamsdonksveer=Keizersijk gestopt te hebben ging
het richting Raamsdonk. Rijdende richting Raamsdonk keek men aan
de rechterkant uit op de achterzijde van de woningen aan de
Keizersdijk. Aan de rechterkant stonden ook enkele
schuingeplaatste witte planken met zwarte strepen. Pas veel
later kwam ik er achter wat de functie van die borden was. Ze
maakten deel uit van de beveiliging.
Het trace Raamsdonksveer-Raamsdonk kende twee grote bochten.
Vanaf de halte Raamsdonksveer werd een bocht naar rechts gemaakt
tot aan de wachtpost 16 (Ganzenwiel). Daarna maakte het trace
een bocht naar links om vervolgens parallel lopend aan de St.
Bavo de halte Raamsdonk te bereiken.
Bij de halte Raamsdonk stond mijn nichtje reeds op het met
koolas verharde perron te wachten om zich bij ons te voegen.
Beiden hadden wij, zij als bruidsmeisje en ik als bruidsjonker,
geacteerd bij
het huwelijk van bovengenoemde tante.
Het trace Raamsdonk-Waalwijk liep kaarsrecht en er was haast
geen bebouwing te bekennen. Het gedeelte Waalwijk-Drunen was wat
dat betreft interessanter. Je passeerde daar de
restanten van de eens zo imposante brug over de Baardwijkse Overlaat.
Veel brug was er niet meer te bekennen want
na de oorlog heeft men voordat de lijn reactiveerd werd het grootste gedeelte van de brug vervangen door
een aardendam c.q. dijklichaam. Het benodigde zand werd
aangevoerd uit de Drunensche Duinen. De pijlers werden gesloopt
tot maaiveldhoogte en het vrijgekomen puin werd afgevoerd naar
de Moerdijkbruggen.
Het traject Drunen-Vlijmen liep ook kaarsrecht maar kende nogal
wat bebouwing.
Na station Vlijmen begon het hoogst gelegen gedeelte van de Langstraatspoorlijn. Men passeerde wachtpost 38 aan de Heidijk
en daarna
de Moerputtenbrug en wachtpost 39 aan de Deuterensestraat.
De
trein reed daarna over een grote sluis en er werd een scherpe
bocht naar links ingezet, 90 graden, om uiteindelijk het viaduct over
de Vlijmenseweg c.q. Onderweg te bereiken. Het was een gepiep, geknars en
gewring van jewelste. Komende vanuit Geertruidenberg keek ik
rechts uit mijn raampje en
zag hoe groene electrische treinen en goederentreinen getrokken
door WD-locomotieven naar Den Bosch, Eindhoven en Tilburg
gingen. We zullen die trein naar Eindhoven niet meer halen zei
ik tegen mijn moeder. Zij was daar ondertussen ook wel achter
gekomen.
Na het viaduct gepasseerd te zijn zag je
links een stootblok met spoor liggen. Langs dit spoor lagen biels
opgestapeld. Weer wat verder, ook aan de linkerkant zag ik een
draaischijf met watertoren. Het geknars en gepiep bleef
aanhouden want de trein moest alle sporen oversteken dan wel
kruisen via een wisselstraat om uiteindelijk langs
het 1e perron te stoppen. In Den Bosch aangekomen streken we
neer in de stationsrestauratie waar men in die tijd nog bediend
werd door een ober met een witte schort voor.
Op onderstaande foto van Frans Pulles uit Drunen is goed te zien
waar de trein aankwam en vertrok. We zien op deze
foto een locomotief gebouwd door Beyer Peacock & Ltd. te
Manchester. De locomotief is na aankomst uit Lage Zwaluwe losgekoppeld van de rijtuigen en
op de
draaischijf richting Lage Zwaluwe gezet.
De locomotief liep vervolgens om en werd aan de rijtuigen
gekoppeld. Men kon weer richting Langstraat stomen. De
locomotief staat voor de loopbrug welke het 1e en 2e perron met
elkaar verbindt. Vanuit het station loopt men nu nog
rechtstreeks perron 1 op. Vanaf dat perron vertrok de trein
richting Waalwijk. Het is het huidige perron 1a.

Voorzover ik weet
bestond de trein uit een locomotief en drie rijtuigen t.w. een
bagagewagen en twee personenrijtuigen. Ik heb bovengenoemde
treinbewegingen zelf gezien. Ik mocht van mijn moeder, ik geloof
dat het in juli 1949 was, nadat we per trein waren aangekomen in
Den Bosch e.e.a. gadeslaan. We zouden wel een trein later naar
Eindhoven nemen en moeder zou zolang in de restauratie gaan
zitten. Het station Den Bosch was in die tijd verwoest maar een
kop koffie drinken kon nog wel.
Voor familiebezoek in Raamsdonk namen we ook de trein. Zo
gingen we op zondag met de trein nogal eens naar ome Janus
en tante Drikka Broekmans. We brachten er heel de middag door en
na er 's
avonds boterhammen te hebben gegeten bracht ome Janus en mijn
nichtje Nellie ons weer naar de trein. De locomotief was niet altijd een WD
locomotief. Het is voorgekomen dat een locomotor de tractie
richting Geertruidenberg verzorgde.
Mijn moeder en ik gingen in de tijd dat er nog personenvervoer
op de lijn was met de trein niet alleen
richting Den Bosch. Mijn moeder kreeg in 1947 een relatie met iemand
uit Den Haag. Wij dus met de
stoomtrein vanuit Den Berg naar Lage Zwaluwe. In Lage Zwaluwe
werd overstapt op de trein naar Den Haag. De vader van
de vriend van mijn moeder nam mij met de tram
mee om brood te kopen. Wanneer we in Den Haag waren en het was
goed weer dan gingen we met de trein vanaf station Den Haag HS
met de trein
naar Scheveningen.
In die tijd werd een klasgenootje van mij
overreden door een vrachtwagen geladen met aardappelen. Dit
incident maakte een grote indruk op mij. Als men mij in Den Haag daarover
informeerde zei ik steevast in mijn Bergs dialect dat er
bij een kiendje uit mijn kleuterklas een erpelenwagen over zijn bolleke
was gereden. Men vertelde mij dat dat kiendje nu in de
hemel was, en misschien wel beter af zou zijn dan in dit aardse
tranendal. Ik zie mijn klasgenootje
met zijn op was lijkende gezichtje en versierd met bloemen nog in het
kistje liggen. Ja, dit greep mij wel aan.
Op een gegeven moment kreeg de jongste zus van mijn moeder
verkering met Robertus van Velthoven, een neef van mijn vader,
uit Hank. In de oorlog was er aan de boerderijen in Hank veel
schade toegebracht. Mijn moeder en Bertus stoomden met de trein
naar Den Bosch en daarna naar Utrecht om te vernemen hoe het met
de schadevergoeding van de boerderij zat. Ome Bertus kon niet zo
goed tegen het reizen met trein en bus en moest dus kotsen. Last
van reisziekte dus. Mijn moeder noemde dat nameten. Uiteindelijk
sleepte Bertus toch nog een goede schadevergoeding in de wacht.
In april 1950 kreeg ik
op mijn zesde verjaardag zowaar een fiets met twee wielen als cadeau. Ik was de
driewieler ontgroeid. Het was een doortrappertje met dikke
banden. Door dit fietsje werd mijn actieradius
behoorlijk vergroot. Ik zat nog op de kleuterschool en zou in
september 1950 naar de grote school c.q. basisschool gaan bij
meneer A. van Onzenoort.
Dus om 12.00 uur eerst thuis eten en daarna met de fiets naar
het station om vervolgens via het pad tussen het
station en de retirade het perron op te rijden. Meneer van Lieshout
vroeg dan aan mij of ik wel een perronkaartje had en of ze thuis
wisten dat ik naar het station was gereden. Een perronkaartje
had ik
natuurlijk niet en dan zei hij lachend tegen mij: "Kom maar naar
de treinen kijken maar niet te dicht bij de perronwand komen he
want er zijn al zoveel ongelukken gebeurd."
Ben Baars, eigenaar van de bioscoop in Geertruidenberg sinds
1928, maakte ook films over Geertruidenberg. Zo legde hij in
1949 het Bergse (school)leven vast op celluloid.
Ook ik werd gefilmd, en wel op de Bewaarschool Sint Jan bij de
zusters in de Koestraat. Op 18 juli 1950 maakte Ben een
film over het sociale- en culturele leven van Geertruidenberg.
Hij had daartoe alle verenigingen, clubs en niet te vergeten de
plaatselijke middenstand uitgenodigd en hij stelde voor om als
stoet door Geertruidenberg te trekken. De stoet startte rond
19.00 uur vanaf hotel Stal aan de Markt.
Ik liep ook mee in die stoet, en wel als welp bij de Willem van
Duivenvoorde groep. Toen wij over de Stationsweg richting brug
liepen zag ik, toen we het station passeerden, een trein
getrokken door een WD-machine klaar staan voor vertrek naar Den
Bosch. Dit moet dan trein 1285 zijn geweest, die om 19.36 uur
vanuit Geertruidenberg vertrok. Even later passeerde ons de
trein ter hoogte van de goederenloods waar het sein op veilig
stond.
Het werd een mooie film. Kort daarop kreeg Baars commentaar en
wel van B&W van Geertruidenberg. Daar had Ben geen opnamen van
gemaakt. Baars heeft toen alsnog B&W en de gemeenteraad gefilmd
tijdens een raadszitting waarin ook gestemd werd. Ik heb de film
later gekocht toen de film ten bate van harmonie Apollo op videoband was gezet.
Op een gegeven moment hoorde ik van mijn moeder dat er in de
dagblad de Stem stond dat er ingaande augustus 1950 niet
meer met de trein naar Den Bosch of Zwaluwe konden. Zo kon het
gebeuren dat op 31 juli 1950 's avonds tijdens het eten gezegd
werd dat mijn moeder, een tante en een oom van mij en Harrie de
Ridder (hij werkte ook op de boerderij) de trein zouden gaan
uitzwaaien op het station Geertruidenberg. Ik wilde dolgraag
mee. Men vertelde mij dat dit niet kon omdat ik dan veel te laat
op bed zou liggen. Ik diende de volgende morgen op tijd op
de kleuterschool St. Jan in de Koestraat te zijn. Oma en tante Griet, een
zuster van mijn oma, zouden wel op mij passen. Dat hebben ze
voorbeeldig gedaan.
Toen ik de volgende ochtend in de klas kwam
bleek dat er verschillende klasgenootjes de avond tevoren wel op
het perron van Geertruidenberg hadden gestaan om de trein uit te
zwaaien. Toen ik dit 's middags tijdens het middageten vertelde
zei men mij dat dit niet kon omdat men geen kinderen uit mijn
leeftijdsgroep had waargenomen. Ik ben toen erg boos geworden,
want ik vond dat men mij voor de gek had gehouden.
Berge en Hensen woonden links en rechts in wachtpost 14. Berge
was lijnwerker en Hensen was belast met het sluiten en openen
van de brug. Sluiten van de brug ging volgens de dienstregeling.
Na 31 juli 1950 verhuisde Hensen naar Zwijndrecht en kwam van
Gils in hun huis wonen. Berge zou later naar de overweg aan de
Keizersdijk zijn gegaan om de bomen daar te bedienen.
Begin augustus 1950 gingen we weer op vakantie naar Eersel.
Personenvervoer op de lijn was er niet meer dus met de BBA lijn 22 vanuit
Geertruidenberg naar Den Bosch en met de trein naar Eindhoven.
Daarna gingen we met de BBA bus met als eindpunt Reusel grens
naar Eersel.
Veel later kwamen we er achter dat we beter met BBA lijn 26 naar
Breda konden reizen en van daaruit met de trein via Tilburg naar
Eindhoven konden sporen.
Na juli 1950 deden we weinig boodschappen meer in Waalwijk en Den
Bosch. Mijn (blauwe) communiepak voor Hemelvaartsdag 1951 is nog
gekocht bij V&D in Den Bosch maar daarna vond mijn moeder het
geslinger met lijn 22 welletjes. Voor kleren, gebak e.d. gingen
we voortaan naar Breda en/of Oosterhout. In Geertruidenberg kwam
elke werkdag nog steeds de goederentrein uit Lage Zwaluwe aan.
Die trein vervoerde o.a. (nieuwe) fietsen die bij fietsenmaker
Piet Stoop aan de Stationsweg werden afgeleverd. Mijn moeder had
in 1951 een fiets bij Piet besteld. Het was een grijs kleurige
fiets. Op het frame zaten plastic transparante
beschermingsringen tegen beschadigingen. De fiets kwam aan in
Geertruidenberg en mijn moeder vond dat de kettingkast
beschadigd was. Piet legde uit dat e.e.a. tijdens het vervoer
kon gebeuren. Mijn moeder nam daar geen genoegen mee en dingde
25 gulden op de prijs af.
Therus Snijders uit Raamsdonk liet 1951 een raccordement naar
zijn steenkolen- en oliehandel aanleggen. Therus had al een losplaats richting Geertruidenberg.
Na het passeren van de overweg richting Geertruidenberg kwam men
een rechtsuitgaand wissel tegen. Langs dat rechtsuitgaand spoor
lag de eerste kolenopslag van Snijders. Dit spoor boog weer met
een wissel de Langstraatspoorlijn richting Geertruidenberg op.
In 1951 werd er een wissel in de overweg bij de
halte Raamsdonk aangelegd. Een overweg met twee sporen dat was
iets nieuws voor de Langstraatspoorlijn. Als ik dan weer eens op
bezoek was bij ome Janus in Raamsdonk ging ik met met Nellie en
haar
vriendinnen naar de nieuwe sporensituatie in Raamsdonk kijken.
De broers van Nellie vonden het maar raar dat ik zo idolaat van
die spoorlijn was.
Toen het personenvervoer op de lijn verdwenen was verpauperde de
lijn in snel tempo. De lijn was al in de jaren voor WO II
niet moeders mooiste maar na 1950 ging het wel heel snel. De
stations en bijgebouwen zagen er haveloos uit en op het 2e
perron als dat aanwezig was tierde welig het gras. In het tweede
gedeelte van de vijftiger jaren begon men met het afbreken van
het station en bijgebouwen te Hooge Zwaluwe. Ook de halte Made=Drimmelen
viel onder de slopershamer. In Geertruidenberg werd de retirade
afgebroken en verder werd afscheid genomen van de gebouwen welke
deel uitmaakten van Capelle=Vrijhoeve.
In de eerste helft van de zestiger jaren werden de stations van
Geertruidenberg, Waspik, Waalwijk, Drunen=Heusden en Vlijmen van
de spoorwegkaart geveegd.
Een zus van mijn moeder die ook inGeertruidenberg woonde ging op
17 april 1951 trouwen
en in Drunen wonen in de Wolfshoek.
In maart 1951 zei men tegen mij: "Breng jij ome Jan maar naar de
bushalte, jij weet waar dat is want je komt elke dag op het
station." Ome Jan en ik dus in akelig weer naar het station waar
je op moest stappen voor lijn 22 richting Drunen. Lekker aan de westzijde
van het station in de elementen wachten, er was niet eens een
bushokje, op de BBA bus. Het station met zijn wachtkamers bleef
gesloten. lijn 22. Ik vond dit banaal en werd boos op van
Lieshout. Ik zou hem de volgende dag wel eens zeggen hoe ik er
over dacht. Mijn moeder zei tegen mij dat ik dat niet moest
doen. Het schijnt zo te zijn geweest dat ik gezegd moet hebben
dat hij niet op mijn communiefeest op Hemelvaartsdag mocht
komen. De volgende dag stond ik toch weer op het perron en was
ik het voorval weer vergeten.
Ome Jan
had zijn fiets in Drunen bij de vroegere tramremise of bij HCR de
Visser gestald. Toen de trein nog reed ging hij gewoon vanuit de
Wolfshoek per fiets naar het station Drunen=Heusden; daar stalde
hij zijn fiets en stapte hij op de trein. Er bestond in die tijd
ook een BBA busverbinding vanuit Drunen naar Heusden. Men kon
bij de Visser opstappen en de bus reed dan via de Remise,
Badhuisweg en Wolfshoek naar Elshout. Vandaar ging het via de
Heusdenseweg richting Heusden.
Toen mijn tante
vanaf april 1951 in Drunen wonen gingen mijn moeder en ik regelmatig
met lijn 22 naar haar zuster in de Wolfshoek.
Wanneer we bij die tante waren werd ik wel eens om een boodschap
gestuurd. Zo moest ik eens een keer kaas gaan halen bij Jans de
Knippel. Jans had een kruidenierszaak aan het einde van de
Wolfshoek. Ik stapte de winkel binnen en bestelde een pond
gesneden kaas. Het eerste wat mij gevraagd werd was wie ik was
en waar ik vandaan kwam. Nou, ik kwam uit Den Berg en was bij
tante To op visite. Een snijmachine was niet aanwezig dus werd
met een mes een pond kaas uit een grote kaas
gesneden. Ik had zoiets nog nooit gezien. Ik zag dat ze in die
winkel ook nog klompen verkochten. Gele klompen met een rode neus.
Jans vroeg aan mij of ik nog meer boodschappen had. Nou die had
ik niet. Ik zei nog wel dat tante To het wel zou betalen. Geen
probleem voor Jans.
Ik stapte de winkel uit en zag op een gegeven moment de
spoorwegovergang, wachtpost 32, bij De Lips liggen die ik 's
morgens met de BBA bus was gepasseerd. Ik wandelde met de kaas
richting het station Drunen=Heusden.
Dit station had 2 perrons. Die twee perrons waren verbonden d.m.v. een bielsoverloop. Voor de overweg, bij Lips waar ook een
wachterswoning stond, gingen de perronsporen in elkaar over.
Tijdens de herstelwerkzaamheden aan de spoorlijn na WO II heeft
men het wissel bij de bovengenoemde overweg opgebroken en
verviel de spoorlijn langs het tweede (niet betegelde) perron.
Er resteerde alleen nog de (gebogen) perron 1 lijn. Het station werd
in 1963 afgebroken t.b.v. de aanleg van de Maasroute. Station
en emplacement
waren van de openbare weg afgescheiden d.m.v. het typische diagonale
zwart/wit hekwerk. De weg naar het station, Parallelweg, was aan
weerszijden voorzien van bomen. Komende vanuit het station kon
men dan via een pad richting veiling en
stationskoffiehuis lopen.
In 1951 reisden mijn moeder en ik na een bezoek te hebben
gebracht aan die tante in de Wolfshoek met BBA lijn 22 vanuit Drunen naar Geertruidenberg. Op de bus trof je
toen nog een chauffeur
en een conductrice aan. De conductrice moest zich schrap zetten tussen
twee banken om de vervoersbewijzen te knippen of uit te geven.
Die vervoersbewijzen hadden een portraitformaat en waren groen
van kleur.
Ik herinner me nog een conductrice die bij het passeren van de bus
bij wachtpost 30
bij de Drunensche Dijk zich niet staande kon houden en achterover
viel. Dit leverde een geenszins elegante aanblik op.
Ik heb van mei 1953 tot februari 1956 in Drunen in de Wolfshoek gewoond. Ook
daar ging ik 's middags naar het rangeren van de
goederentrein, die vanuit Den Bosch naar Raamsdonk reed, kijken.
Dus weer met het fietsje vanuit de Wolfshoek richting wachtpost
32 bij de Lips, en dan bij Bertus van Engelen rechtsaf de
Parallelweg op richting station. Naast Bertus van Engelen, een
elektrotechnicus, die een winkel had waar men lampen en andere huishoudelijke
apparaten kon kopen woonde Jos de Wit, een zoon van het
Roodwitje. Jos had een sigarenmagazijn zoals dat in die tijd
genoemd werd.
In het station Drunen=Heusden woonde in die tijd Vercruysen.
In februari 1956 ging ik weer wonen in
Geertruidenberg.
Dus 's middags weer treinen kijken op het station, bij de Dongecentrale en de Tankfabriek. In het voorjaar van 1956 reed
ik via Koestraat en Doelestraat naar het station en werd op de
Stationsweg aangereden door een motorrijder. Ik liep geen letsel
op, maar mijn nieuwe Empo fiets lag wel helemaal in de kreukels.
Ik zei tegen mijn moeder dat ik met mijn fiets gevallen was. Ze
geloofde het nog ook. Jaren later heb haar haar de ware
toedracht verteld.
Ik zag in 1956 weer de WD-locomotieven rond 12.30 de Stationsweg
oversteken om de
Tankfabriek en de Juinjood in de Bastionstraat, waar ook een
overweg was, te bedienen. Het was een fantastisch gezicht deze
mastodonten vanaf het emplacement de Stationsweg te zien
oversteken. Ze werden bij hun oversteek begeleid door een
persoon met een rode vlag en een geel koperen hoorn. Toen de
stamlijn naar de Tankfabriek en de Juinjood werd aangelegd
maakte men een doorgang
in het zwartwitte diagonale hekwerk. Deze doorgang
kon worden afgesloten m.b.v. een hek. Dit hek stond in mijn
beleving altijd open. Als men de havensporen
wilde bereiken moest men eenzelfde hek passeren. Ook dit hek
stond steeds open. De hekken hingen er
wat verloren bij c.q. ze werden nooit gebruikt.
Bij de Dongecentrale rangeerde de trein ook. Voor wachtpost 12
lag een wissel dat linksuitgaand naar de Dongedcentrale liep.
Daarna kwam weer een wissel waarmee men doorgaand via de
portiersloge naar de centrale
ging; rechtsuitgaand liep de lijn over een dijk parallel aan de provinciale
weg Geertruidenberg-Made tot aan het einde van het terrein van
de centrale. Daar stonden de stootblokken. De goederentrein kwam meestal rond het
middaguur in Geertruidenberg aan, om na verrichte arbeid de
vestingstad rond half twee weer te verlaten.
Kees Snijders, werkzaam bij de Tankfabriek, vertelde dat de WD-locomotief het wissel in het raccordement van de Tankfabriek
niet mocht passeren i.v.m. de krapte van de railbocht.
Het schijnt te zijn voorgekomen dat men daar geen acht op sloeg
zodat de trein spontaan uit de rails liep en op straat kwam te
staan. Met vereende krachten en d.m.v. ijzeren platen kon men
dan toch nog de locomotief in het rechte spoor krijgen, zodat
men Utrecht niet behoefte te waarschuwen.
Ik heb vanaf 1956 tot 1958 heel wat gevoetbald op een zanderig terrein
dat langs de spoorlijn lag. Tegenover dat terrein lagen de laatste huizen in de
Koestraat en de Emmaweg. Het terrein
werd van de
spoorlijn afgescheiden d.m.v. betonnen paaltjes voorzien van
prikkeldraad. We speelden in die tijd met ballen gemaakt van plastic.
Ergo: de ballen waren steeds lek na contact met het prikkeldraad.
In 1957 kreeg ik met Sinterklaas eindelijk een leren voetbal. Dat was een hele
verbetering. De bal werd opgepompt bij garage Kwaaitaal in de
Koestraat, zo hard als een steen, maar lek werd de bal niet
meer.
Op Goede Vrijdag 1963 reed er 's middags een sproeitrein
van Lage Zwaluwe naar Den Bosch. De gelijkvoerse kruising van de
stamlijn naar de Tankfabriek met de Stationsweg had een
bevloering met dezelfde klinkers als de Stationsweg. In 1963
was de nieuwe verkeersbrug over de Donge klaar. De toerit vanaf
Geertruidenberg kwam een stuk hoger te liggen, en dus moest ook
de daarin liggende spoorlijn worden verhoogd. De
klinkerbevloering werd vervangen door betonnen platen.
Directeur van de Tankfabriek was in die tijd dhr. Hartong.
Ome Thijs,
de man van een zus van mijn moeder, heeft vanaf 1956 heel wat
bijgebouwd bij de Tank. Het heiwerk besteedde hij uit aan
Blijlevens uit Geertruidenberg.
Ik kwam geregeld bij die bouwactiviteiten kijken. Ome Thijs vond
het geweldig dat ik geinteresseerd was in zijn bouwsels. Als je
dan in de door hem gebouwde hoge fabriekshal naar boven klom zag
je onder de WD locomotief naar binnen stomen om de tanks op te
halen. Heel de hal vol met stoom, rook en kolendamp natuurlijk.
Had ik toen maar een fototoestel gehad.
In 1963 kwam de nieuwe verkeersbrug over de Donge gereed. Deze
brug had een veel grotere doorvaarhoogte. Voorbij waren de lange
wachttijden. In die tijd was er een druk scheepvaartverkeer
tussen Amer-Donge en Wilhelminakanaal. De brug werd
ontworpen met een beweegbaar gedeelte en tevens voorzien van een
brughuisje aan de noordzijde voor de bediening. Het mechanisme
om het beweegbare gedeelte te bedienen is nooit aangebracht.
Uiteindelijk heeft men het brughuisje afgebroken toen men zowel
aan de noord- als aan de zuidzijde van de brug in de zomer van
1990 een fietspad aanbracht. Er is een periode geweest dat er
maar liefst vier bruggen over de Donge lagen. Het betreft dan de
spoorbrug, de in aanbouw zijnde verkeersbrug, de simultaan met
de spoorbrug geconstrueerde verkeersbrug (afkopen concessie van
der Made), en de baileybrug.
Deze laatste brug stond niet alleen dikwijls open t.b.v. de
scheepvaart maar vertoonde ook technische mankementen v.w.b. het
hefgedeelte. Het hefgedeelte werkte met contragewichten
(betonnen blokken). Het kwam geregeld voor dat men na opening de
brug niet meer gesloten kreeg. Ik bezocht in de periode
1956-1960 de MULO in Raamsdonksveer, en ging in de middagpauze
op de fiets naar Geertruidenberg om te eten. Als het de
brugwachter niet lukte de brug te sluiten werd ik "omgeleid" via
de spoorbrug om alsnog de MULO te bereiken. Men draaide de
spoorbrug dicht en aan de zuidzijde van het beweegbare gedeelte
bracht men een soort hekwerk aan om te zorgen dat je niet met je
fiets in de Donge viel.
In 1963 brak men de
goederenloods in Geertruidenberg af. In augustus 1964 viel het station onder de
slopershamer. Ik moest mij op 4 augustus melden te Blerick voor
het vervullen van de militaire dienstplicht, en kon dus de
afbraak van het station niet meemaken. Een paar maanden
daarvoor was de neogothische R.K. kerk op de Markt door de
firma van Hees uit Eindhoven afgebroken. Uiteindelijk is het
puin van beide gebouwen in de spoorhaven van Geertruidenberg
beland. Er zijn toen heel wat fouten gemaakt! Voordat men in
2004 kon beginnen met de aanleg van het Brandepoortbastion, het
Koninginnenbastion en het Oranjebastion heeft men heel het
spoorwegterrein moeten saneren. Zo werd het puin van de stations
van Geertruidenberg en Waalwijk en dat van de RK Gertrudiskerk
weer naar boven gehaald om vervolgens in een puinbreker tot
wegverharding te worden getransformeerd.
Bij de goederenloods in Geertruidenberg stonden een ladingsmal en een (eenarmige)
seinpaal. De seinpaal regelde het uitgaande treinverkeer
richting Den Bosch en het binnenkomende treinverkeer richting Lage Zwaluwe. Toen het reizigersvervoer werd gestaakt
werd de seinpaal verwijderd evenals de brugbeveiliging. Om te
voorkomen dat er treinen vanuit Geertruidenberg de spoorbrug
zouden oprijden legde men vlak voor de spoorbrug over de Donge een
rechtsuitgaand ontsporingswissel aan. Op de kopkanten van de
goederenloods stond op een witte ondergrond in zwarte letters
Geertruidenberg.
Zowel bij Spitters, wp 12, als bij Joore (later Damen), wp13, waren overwegen
aanwezig.
Alleen via de overweg bij wp13 kon men het goederenemplacement
en dus de goederenloods bereiken. In die tijd lagen er ook al
arken de spoorhaven. De plaatselijke Middenstand stak ook de
overweg bij wp13 over om haar clientele aan de spoorhaven te
bedienen.
Nog in de eerste helft van de zestiger jaren is deze overweg opgebroken.
Om het emplacement toch te kunnen
bereiken is toen enkele tientallen meters westelijk een
onbewaakte overweg over de volledige breedte van het emplacement
aangelegd. De overweg bij Spitters werd beveiligd door
(ronde) metalen overwegbomen met traliewerk. Bediening vond
plaatst via een hokje
dat links van de spoorbaan richting Made stond. Ook de overweg bij Joore later
Damen had traliewerk.
Bij de halte Raamsdonksveer=Keizersdijk
waren de bomen van hout en niet voorzien van traliewerk. Wel
zaten er reflectoren op. De tramlijn van Oosterhout naar
Geertruidenberg kruiste hier de spoorlijn. In
de nacht van 18 op 19 juni 1938 heeft men de kruising
verwijderd en vervangen door een nieuw stuk spoor. Men
schrijft over een verbetering voor het wegverkeer en dan m.n.
voor de wielrijders. Voorzover ik weet bestond de
bevloering van de
overweg uit houten blokjes. In de zestiger jaren is
de houten bevloering vervangen door betonnen elementen. Nog
later, is de overweg verbreed. Men legde er gewoon een paar
extra betonnen platen bij. De rails in de overweg waren qua kop een stuk
breder dan de rails welke aansloten op de overweg.
De vader van mijn ome Thijs Blom, ome Thijs is 93 jaar geworden,
t.w. Antonius Blom heeft nog bij de firma Kleyn gewerkt en
timmerwerkzaamheden aan de wachtposten langs de spoorlijn verricht.
In de Kerklaan te Raamsdonk vond men wachtpost 16 (Ganzenwiel).
Die overweg lag in een bocht. Midden zestiger jaren is de weg over de overweg
rechtgetrokken.
In 1950
werden in Geertruidenberg zowel de binnen- als buitenhaven gedempt.
Als ik in 1956 weer eens op
het verlaten eerste perron van het station van Geertruidenberg stond zag ik hoe
er op de sporen gelegen achter de eerder genoemde lorrieloods,
die toegang gaven tot de spoorweghaven, door de WD locomotief
gerangeerd werd.
Op woensdagmiddag stak ik dikwijls het emplacement
over en ging ik een kijkje nemen bij de goederenloods, de NCB en de spoorweghaven.
In de buurt van en op het emplacement van Geertruidenberg was
nogal wat industrie gevestigd. Zo waren er de Dongecentrale, de
Tankfabriek en de inleggerij van Speyer Brothers Ltd ieder met
een eigen spooraansluiting. Ook de firma Peridon en S.H. Meijers
(kolenhandel) waren op het emplacement gevestigd. In 1949 werd
het raccordement naar de Amercentrale aangelegd.
Op het emplacement vond men de NCB en de Tegelfabriek. Bas
Zijlmans vertelt in De Dongebode nr. 3 2008 over de
aardewerkfabrieken Decora en de Aardewerkfabriek Geertruidenberg
N.V. Decora werd in oktober 1933 opgericht en wordt
ondergebracht in een gebouw op het emplacement van de NS aan de
Stationsweg 8. Op 6 maart 1935 wordt de fabriek opgeheven. Na
Decora vestigt zich de Aardewerkfabriek Geertruidenberg N.V. op
het emplacement. De halfproducten worden per trein uit Duitsland
aangevoerd en in Geertruidenberg op het stationsemplacement
gelost. De fabriek lag op korte afstand van het goederenspoor
van het stationsemplacement. In de fabriek vond de afwerking van
de halfproducten plaats en van daaruit werden de eindproducten
o.a. afgeleverd aan klanten zoals Willem van Gelderen met zijn
bazaar in de Brandestraat.
Giel Oome woonde reeds begin zestiger jaren aan de
spoorweghaven. Hij en zijn vrouw bewoonden daar een ark. Op zijn
eigen manier hielp Giel mee de spoorweghaven te dempen. Dat
deed hij dan wel met milieuvriendelijk afval. Giel
creeerde zo zijn eigen biologische tuin. Op die tuin hield hij
kalkoenachtigen. Door de goede zorgen van Giel waren zij zo rond
Kerstmis op het juiste gewicht. Mijn ome Janus uit Raamsdonk
kocht die beesten dan op en verkocht ze weer aan familieleden
die ze vervolgens met Kerst opvraten.
Giel en zijn vrouw hebben meer dan dertig jaar met hun ark in de
spoorhaven gelegen. Uiteindelijk zijn de terechtgekomen in het verzorgingstehuis te Raamsdonksveer.
In de vijftiger en zestiger jaren van de vorige eeuw kon men bij
Jan de Hoog en later Giel Dirven met de bus van de ALAD reizen
naar het Land van Heusden en Altena. De bus was bij Jan de
Hoog geparkeerd in een soort gat. De ALAD had in die tijd als
motto op het vervoersbewijs staan: "Bedenk het vandaag en
onthoudt het voor morgen laat de ALAD uw reizen verzorgen".
Op de Keizersdijk bij het huis van Jan Vermue naast Betsie Tak,
Jan was jarenlang de boer op boerderij De Pannehoef aan de
Voogdwerfsewsteeg, vertrok in die tijd ook een BBA bus.
In augustus 1964 werd het station in Geertruidenberg afgebroken.
Al waren dan veel gebouwen langs de spoorlijn onder de
slopershamer gevallen de spoorlijn zelf was nog intact. De trein
kon dus nog steeds van Den Bosch naar Lage Zwaluwe rijden. Nadat
ik in 1966 uit dienst was gekomen ging ik meestal in het weekend
uit in Waalwijk. Het Lido en Romantica, aan de Olympiaweg, waren
toen voor mij de places to be. Toen ik op een zaterdagavond in
1966 lijn 22 miste, een lift was er niet en voor een taxi had ik
geen geld, zat er voor mij niks anders op dan het trace
Waalwijk-Geertruidenberg te voet af te leggen hetgeen ik toen
maar gedaan heb. Dat betekende dus stappen van biels op biels om
te voorkomen dat de kiezels je schoenzolen verbrijzelden. In
juni 1968 was het traject nog steeds intact. In Raamsdonk kruiste de
spoorlijn de A59 ter hoogte van vroegere Nieuweweg in Raamsdonk.
Men construeerde een spoorwegovergang in de A59. De A59 bij Raamsdonk bestond toen uit klinkers en was een tweebaansweg. Met
de aanleg van de A27 was men toen ook bezig. De aanleg van de
A27 luidde het einde van het traject Raamdonk-Raamsdonksveer in.
Deze weg kruiste de spoordijk tussen wp 15A Omschoorweg en wp 16
Ganzenwiel. Er kwam geen viaduct voor de Langstraatspoorlijn. De
spoordijk werd afgegraven om de A27 verder richting Keizersveer
te kunnen aanleggen. De Langstraatspoorlijn was nu ook fysiek in
twee stukken geknipt.
Volgens mij heeft men toen men het station van Geertruidenberg
in 1964 afbrak het 1e perron niet verwijderd. Wanneer het 2e
perron verwijderd is weet ik niet. Begin zeventiger jaren was
het 1e perron in Geertruidenberg nog aanwezig. Men heeft nog
witte verfstrepen op de rails aangebracht om aan te geven hoe
het pad vanaf het 1e perron richting lorrieloods liep. In de 1e
helft van de zeventiger jaren of eerder is het 1e perron
opgebroken. Ik kwam nog wel eens op het emplacement maar het
bood me een troosteloze aanblik. Er kwamen nog wel
goederentreinen in Geertruidenberg. Bij de vroegere
goederenloods was een locatie waar de machinist zijn boodschap
kon achterlaten.
Op het vroegere emplacement van Geertruidenberg zag men eind
zeventiger en begin tachtiger jaren nieuwe vormen van vervoer
verschijnen. Goederenwagons kwamen in Geertruidenberg aan en
werden vervolgens op een dieplader, voorzien van rails, geladen
om verder vervoerd te worden. Op een gegeven moment verdween
koon de trein Geertruidenberg niet meer bereiken. Vanaf de
rivier de Amer werd voor het Wilhelminakanaal een nieuwe
verbinding met Oosterhout gegraven. De Langstraatspoorlijn werd
doorsneden, er kwam geen brug, en de trein kwam nooit meer in
Geertruidenberg. Er bestond nog wel een verbinding tussen
Lage Zwaluwe en Oosterhout. Deze lijn heeft zich behoorlijk
ontwikkeld. Zo resteert er na 120 jaar toch nog een stukje
Langstraatspoorlijn dat bestaansrecht heeft.
Begin zeventiger jaren begon men met het opbreken van het trace
spoorbrug Geertruidenberg-Raamsdonk. In mei 1972 was het afgelopen met het
goederenvervoer op het gedeelte Raamsdonk-Den Bosch.
Wordt verder uitgewerkt.
Thans worden in Geertruidenberg 3 bastions gerealiseerd op het oude
spoorwegemplacement.
Men is thans bezig met bastion drie c.q. het Oranje Bastion.
De spoordijk lopende vanaf de spoorbrug over de Donge naar
wachtpost 15 is gedeeltelijk afgegraven t.b.v. de realisering
van de wijk Veerse Geer. Ik mis het groene hekwerk met de
witte puntjes.
De spoordijk lopende vanaf wachtpost 15 naar de A27 is reeds
eerder afgegraven en vrijgegeven voor woningbouw. We hebben het hier over De Bossen
waar in 1956 de boerderij van Aart van Wijk afbrandde en waar ik
met mijn vriendjes voetbalde.
Steeds meer tastbare herinneringen uit mijn jeugd over de
Langstraatspoorlijn worden
uitgewist.
Wordt vervolgd.

|